Begroting 2021

Financiële begroting

Financiële positie

Uitgangspunten begroting 2021 en meerjarenraming

Bij de begrotingsopstelling van 2021 wordt  uitgegaan van het bestaand beleid zoals geformuleerd in de (meerjaren)begroting 2020. Er vinden bijstellingen plaats op grond van volumeaanpassingen in relatie tot de autonome ontwikkelingen van de stad. Het kan dan gaan om aanpassingen aan de uitgavenkant en aanpassingen aan onze inkomstenkant. Ook vindt in de begroting een actualisatie plaats van het prijspeil.
De (meerjaren)begroting 2021 wordt uitgedrukt in verwachte prijzen van 2021. Dit betekent dat een volledig nieuw financieel document ontstaat. Hieronder geven we de financiële kaders weer, waarbinnen wij onze begroting opstellen.

Loonkostenontwikkeling

Het loonkostenniveau is gebaseerd op de huidige cao, de salaristabellen vanaf januari 2019. De 0,8% van de Bovenwettelijke verlofdagen die in het IKB zijn gestopt, zijn begrotingstechnisch niet geraamd. Hierbij geldt het uitgangspunt dat de uren die niet worden teruggekocht binnen de formatie (vacatureruimte) opgevangen moeten worden.

Voor de cao-ontwikkelingen in de periode januari 2020 t/m december 2021 hebben wij rekening gehouden met een loonstijging van :
1% per 1 juli 2020 (conform CAO)
1% per 1 oktober 2020 (conform CAO)
2% per 1 mei 2021 (raming)

Het gemiddelde percentage sociale lasten in de begroting 2021 is 30,50% (primitieve begroting 2020 29,42%). Deze stijging vloeit voort uit de aanname dat de totale pensioenpremie (werkgever + werknemer) met 2% zal stijgen. Het loonkostenniveau in de begroting 2021 komt daarmee 4,12% hoger uit dan in de primitieve begroting 2020. In de meerjarenraming 2021-2023 is voor Cao- afspraken vanaf 2021 al rekening gehouden met een bedrag van € 1,4 miljoen.

Prijsontwikkeling

Doorwerking voorgaande jaren

 + 0,6%

2021

+ 1,6%

Per saldo

+ 2,2%

Prijs- en loonkostenontwikkeling gesubsidieerde sectoren

Bij de verdeling van de ombuigingstaakstelling heeft het college besloten een efficiencytaakstelling op te leggen aan gesubsidieerde instellingen. Hieraan is een bedrag van € 0,3 miljoen verbonden. Dat bedrag is indicatief bepaald en afhankelijk van de grondslag (het bedrag aan subsidie dat voor loon en/of prijs wordt geïndexeerd) en de uiteindelijke index die we normaliter zouden toepassen. Inmiddels is de grondslag bepaald en is berekend dat we 70% van de regulier index kunnen verstrekken.

De bijgestelde indexpercentages zijn dan als volgt:

Prijsindex

 + 1,54%

Loonindex

+ 2,10%

Samengesteld indexcijfer t.b.v. inkoopcontracten

+ 1,99%

Renteontwikkeling

Sinds 2018 worden rente-inkomsten op leningen meegenomen in de berekening van het omslagpercentage. In 2021 hanteren we hetzelfde niveau als voorgaande jaren, namelijk 0,5%.

Tariefontwikkeling belastingen en heffingen

Het gewogen indexcijfer bedraagt 3,16% (½ x 2,2% + ½ x 4,12%).
In het coalitieakkoord is opgenomen dat de woonlasten niet worden verhoogd anders dan met een inflatiecorrectie. Onder woonlasten verstaan we de onroerend zaakbelasting, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. Conform het uitgangspunt stijgt de OZB met 3,16%, wel rekening houdend met eventuele stijging van de WOZ-waarden.
Voor zowel de afvalstoffen- als de rioolheffing worden, naast de toegestane indexering, uiteraard de kosten van eventuele autonome ontwikkelingen via het tarief omgeslagen, uitgaande van 100% kostendekking. Voor de berekening van de tarieven wordt uitgegaan van 1,5% rente toerekening aan de betreffende activa, hetgeen aansluit bij de daadwerkelijke rentekosten van de gemeente op haar financiering afgerond op een half procent.

Uitgangspunten meerjarenraming 2022-2024

Voor de jaren 2022 tot en met 2024 is uitgegaan van een constant loon- en prijsniveau met als basis het niveau zoals opgenomen in de begroting 2021. We gaan ervan uit dat de loon- en prijsontwikkeling in de uitgaven zo nodig gecompenseerd wordt. Dat wil zeggen:

  • compensatie van algemene salarismaatregelen en prijscompensatie via de algemene uitkering uit het gemeentefonds (als onderdeel van het zogenaamde accres) en overige rijksvergoedingen;
  • Verhoging van tarieven, rechten en heffingen met het inflatiepercentage, uitgaande van 100% kostendekking voor afvalstoffenheffing en rioolrechten. Uitgaande van constante lonen en prijzen zijn in de jaarschijven 2022, 2023 en 2024 de eerder genoemde verhogingen van inkomsten uiteraard niet meegenomen. In het investeringsplan 2021-2024 is rekening gehouden met een jaarlijks rentepercentage van 0,5%.

N.B.
Het doel van de meerjarenraming is onder meer inzicht te krijgen in de financiële ontwikkeling van de gemeente in meerjarig perspectief. Aan de meerjarenraming als zodanig kunnen door derden geen rechten worden ontleend.

Deze pagina is gebouwd op 10/07/2020 10:03:24 met de export van 10/07/2020 09:52:43